Juridische aspecten eigen aan de onderneming in de sociale economie. Onderzoeksdeel 2: harmonisatie van de statuten - Sociale economie en Europa
In dit onderzoek wordt nagegaan welke invloed Europese regelgeving heeft op ondernemingen in de sociale economie. Volgens de auteur is het duidelijk dat nieuwe ontwikkelingen op Europees niveau een weerslag hebben of zullen hebben op de sociale economie.
Het eerste deel onderzoekt de impact van de Europese dienstenrichtlijn. De auteur schrijft dat deze dienstenrichtlijn geen grote problemen mogen veroorzaken voor de sociale economie. Ofwel vallen sociale economie ondernemingen niet onder de richtlijn wegens een uitzondering, ofwel zijn de vereiste erkenningen gekoppeld aan de toegang tot publieke middelen, wat niet door de richtlijn wordt gevat. Vanaf 1 januari 2010 kunnen er rechtsgedingen worden aangespannen in het kader van de dienstenrichtlijn, wat eventueel nieuwe ontwikkelingen kan opleveren.
In tweede hoofdstuk bekijkt de auteur of staatssteun aan sociale economie ondernemingen toegestaan is door de Europese regels. Als men de toegelaten staatssteungrenzen overschrijdt, zal men staatssteun bij de Commissie moeten aanmelden. Dat betekent niet onmiddellijk dat de het om verboden staatssteun gaat, het betekent enkel dat de Europese Commissie een screening zal doorvoeren.
Het derde deel behandelt de Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB). In verband met de elementen uit het mededingingsrecht is er geen vaststaande formule om op uitspraken van het Hof van Justitie te anticiperen. Volgens de uitspraken is het enerzijds duidelijk dat alles “vermarktbaar” is, en dus ook goederen en diensten van de sociale economie. Anderzijds heeft het hof ook aandacht voor een afweging van het louter sociale tegenover een puur mededingingsrechtelijke visie, wat echter niet betekent dat men het begrip “solidariteit” licht moet nemen. Het valt nog af te wachten hoe dit in de toekomst zal evolueren.
De DAEB-beschikking kan in verband met compensaties voor DAEB een eerste wegwijzer zijn voor de sector van de algemene economie. Volgens de auteur is het feit dat er onzekerheden blijven bestaan niet noodzakelijk iets negatiefs. Het spreekt volgens haar voor zich dat de tijd van het willekeurig verlenen van subsidies aan een onderneming voorbij is. Eigenlijk wil Europa volgens haar gewoon weten of ondernemingen werken op een marktconforme manier. Als de subsidies genoeg zijn om de meerkost te dekken en men kan garanderen dat er geen over- of kruissubsidiëring is, is het voor de Commissie in orde. De kern van de zaak blijft dus dat men 1) zich zoveel mogelijk houdt binnen de bakens die Europa heeft geplaatst en 2) alles zo goed mogelijk motiveert.
De auteur geeft nog mee dat Europa bereid is om zich meer flexibel op te stellen als er moeilijke tijden aanbreken. Zo gaf de commissie economische en monetaire zaken eind 2008 als advies aan de commissie werkgelegenheid en sociale zaken van het Europees Parlement bijvoorbeeld mee dat zij de “Commissie verzocht rekening te houden met de realiteit van de sociale economie bij de herziening van het staatssteunbeleid, aangezien kleine ondernemingen en lokaal actieve organisaties op grote moeilijkheden stuiten bij het verkrijgen van financiering, vooral in de huidige financieel-economische crisis.” Verder keurde het Europees Parlement in februari 2009 een resolutie goed over de sociale economie, waarin de sleutelrol van de sector werd onderstreept, en waarin de Commissie verzocht werd om rekening te houden met de realiteit van de sociale economie bij de herziening van het staatssteunbeleid.
