Prof. Dr. Jef Breda, Caroline Van Landeghem (lector)
Dit rapport beoogt inzicht te verwerven in het ontstaan, de geschiedenis en de dynamiek van de sociale economie in Vlaanderen. In het eerste hoofdstuk wordt op basis van bestaande overzichtswerken een historische en conceptuele afbakening van het begrip “sociale economie” gemaakt. Hierbij wordt de oorsprong en geschiedenis van de sociale economie op internationaal en op Belgisch en Vlaams vlak gekaderd. Het tweede hoofdstuk focust vooral op het overheidsbeleid, maar ook de wisselwerking tussen initiatieven van de overheid en initiatieven uit het werkveld komt aan bod. De auteurs onderscheidt drie periodes in de ontstaansgeschiedenis van de sociale inschakelingseconomie en het beleid inzake sociale economie. In eerste instantie, tussen 1982 en 1992, neemt het werkveld het initiatief. Als reactie op een blijvende stijging van het aantal langdurig werklozen ontstaan initiatieven die een antwoord trachten te bieden op het ontbreken van opleidingsmogelijkheden voor deze doelgroep. Vanaf 1985 worden er door de overheid maatregelen genomen die anticiperen op initiatieven uit het werkveld. In de tweede fase, vanaf 1992, neemt de overheid het initiatief over. Ze geeft experimentele erkenning aan de sociale economie en breidt de sociale tewerkstelling uit. In 1998 worden de sociale werkplaatsen erkend. Koepelorganisaties oefenen in deze periode invloed uit op het beleid. Tijdens de derde fase, tussen 1999 en 2008, organiseert en harmoniseert de overheid de sector. Er komen nieuwe werkvormen, zoals buurt- en nabijheidsdiensten, op initiatief van de overheid. Ondersteunende structuren krijgen een erkenning. De overheid werkt ook aan een efficiëntere financiering. Een derde hoofdstuk is gewijd aan de dynamiek van enkele specifieke werkvormen van de sociale economie. Uit dit hoofdstuk blijkt dat de impulsen van de overheid in belangrijke mate de dynamiek van het aantal organisaties bepalen. Zo kan men tijdens de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig een duidelijke toename in organisaties vaststellen, die gepaard gaat met het invoeren van bepaalde tewerkstellende maatregelen voor kansengroepen. Tussen 1993 en 1999 neemt het aantal organisaties binnen alle werkvormen toe, er is dus een collectieve groei. Vanaf 1999 neemt enkel het aantal invoegbedrijven toe. Er is dus een selectieve groei. Dit bevestigt de indeling in drie periodes die in het tweede hoofdstuk werd gemaakt. Rond 1992 maakten een 150-tal projecten gebruik van maatregelen voor kansarmen om een initiatief op te starten. Tussen 1992 en 1999 ging de overheid de groei van de sector verder stimuleren met nieuwe maatregelen. Vanaf ’99 begint de overheid ordescheppen in de sector en is er enkel een groei van de sector door een gecontroleerde toenamevan het aantal invoegbedrijven.