logo Sociale economie

Juridische aspecten eigen aan de ondernemingen in de sociale economie. Onderzoeksdeel 1. Onderzoek juridische statuten

Toegevoegd
2 jaren 21 weken geleden

Type onderzoek
Beleidsvoorbereidend onderzoek
Auteur(s)
Astrid Coates
Uitvoerder
Universiteit Antwerpen
Opdrachtgever
Steunpunt Werk en Sociale Economie
Abstract of inleiding

Dit onderzoek heeft de bedoeling om juridische knelpunten in de sociale economie in kaart te brengen. De conclusie van de auteur is dat de bestaande juridische belemmeringen op lange termijn implicaties kunnen hebben voor de groei van sociale economie ondernemingen, en zo ook een invloed kunnen hebben op de tewerkstelling.

 

De eerste belemmering betreft het statuut van de vereniging zonder winstoogmerk (VZW’s) en de Vennootschap met Sociaal Oogmerk (VSO’s). De auteur is van mening dat men niet kan verwachten dat sociale economie ondernemingen alleen op subsidies teren, en dat zij de markt moeten kunnen opgaan om middelen te zoeken. Die markttoegang wordt echter door het VZW-statuut zwaar op de proef gesteld. De beperking op commerciële activiteiten maakt de situatie onhoudbaar. Het gebrek aan kapitaalstructuur en het ontbreken van een fusiereglementering voor VZW’s maakt de situatie nog moeilijker. Subsidies blijven volgens de auteur echter broodnodig om het productiviteitsverlies te kunnen compenseren. Dit is geen oneerlijke concurrentie ten aanzien van de reguliere sector, het is het creëren van een level playing field.

 

De VSO is speciaal gecreëerd in 1995 om aan sociale economie ondernemingen en volwaardige vennootschapsvorm te geven. Volgens de auteur creëert de VSO zeker mogelijkheden, maar blijft zij in de startblokken steken of wordt ze oneigenlijk gebruikt. Daarnaast zijn er ook problemen omtrent de omzetting van een VZW naar een VSO. Verder blijkt de werknemersparticipatie nog steeds een hindernis te zijn. Hier schrijft de auteur dat men in de toekomst zeker de nodige aanpassingen moet doorvoeren. Daarbij lijkt het zinvol om te kijken of het statuut van de VSO niet kan koppelen aan het statuut van de erkende coöperatieven, die in de praktijk de meest gebruikte vennootschapsvorm blijkt te zijn onder het VSO-statuut.

 

Een tweede belangrijke belemmering betreft de decreten en besluiten van de ondernemingsvormen in de sociale economie, die niet altijd even duidelijk zijn in het hanteren van terminologie. Zo worden VZW en VSO niet altijd consequent als mogelijkheid aangehaald. De beperking in de Verenigingen en Stichtingen Wet wat betreft handelspraktijken zorgt ook geregeld voor onduidelijkheid op het werkterrein overal wat men al dan niet mag doen als activiteit. Europa maakt het er daarbij niet gemakkelijker op. De evoluties in de wetgeving zijn echter zeker niet allemaal negatief, schrijft de auteur. Zo heeft een positieve evolutie plaatsgevonden in de toegang tot overheidsopdrachten voor de sociale economie ondernemingen. Dat toont aan dat men begrip heeft voor de vreemde situatie waarin de sociale economie zich soms bevindt. Het lijkt echter een omgekeerde wereld: de ene wetgeving verhindert de toegang, waarna de andere wetgeving een boog vormt rond de eerste wetgeving om die toegang terug vrij te maken.

Link

Bijlagen