De sociale economie wil groeien. Marktniches en groeipotentieel van de sociale economie in Vlaanderen.
De resultaten van dit onderzoek komen voort uit een kwalitatieve evaluatie van enkele geselecteerde niches, met name (1) activiteiten rond rationeel energiegebruik (REG) en isolatie, (2) logistieke dienstverlening aan bedrijven en (3) metaalbewerking en carrosserie.. Deze resultaten hebben niet de pretentie om een sluitend voorstel te formuleren omtrent de richting van de sector in de komende jaren, naast deze onderzochte sectoren zullen er ongetwijfeld nog andere mogelijkheden zijn, zo geven de auteurs aan.
In de activiteiten rond REG en isolatie zien de auteurs zeker mogelijkheden. Deze mogelijkheden situeren zich vooral in arbeidsintensieve isolatiewerken, zoals het plaatsen van radiatorfolie, gedurende korte periodes bij particulieren of in overheidsgebouwen. Uitvoerende taken onder begeleiding van een vakman behoren ook tot de mogelijkheden (bijvoorbeeld. het uitvoeren van metingen). Een goede basisopleiding en stagemogelijkheden voor de doelgroepwerknemers is in dit geval belangrijk. Daarbij dient in dit geval geïnvesteerd te worden in begeleiding, wat de kostprijs echter opdrijft. Verder kunnen doelgroepwerknemers mensen uit dezelfde doelgroep adviseren over financiële tegemoetkomingen en tips voor energiebesparingen geven. Dit kan mogelijk onder de vorm van buurt- en nabijheidsdiensten.Logistieke dienstverlening aan bedrijven is ook een sector met mogelijkheden. Een aantal activiteiten (bijvoorbeeld het personaliseren van goederen) vormen onmiddellijke tewerkstellingskansen voor bepaalde doegroepen via het toepassen van de invoegmaatregel. Bijzondere begeleidingsmethodieken kunnen maatwerkbedrijven toelaten om goederen op locatie van de opdrachtgever te manipuleren (herstelling). Ook zijn er mogelijkheden in de terugnamelogistiek en recyclage, het aanbieden van distributiediensten aan internetwinkels en beroepen als bijrijders en winkelstewards. De metaalnijverheid lijkt weinig geschikt voor verdere exploratie door de sociale economie, onder andere door het dalende belang van de industriële tewerkstelling, delokalisatie en kapitaalsintensieve productiemethoden en infrastructuur. Enkel zeer kleinschalige, creatieve projecten met een sterk kwalitatief eindproduct op maat van de klant en georganiseerd in een flexibele werkomgeving kunnen nog zorgen voor een (beperkte) tewerkstelling.
De auteurs zien ook een aantal factoren die, onafhankelijk van de onderzochte sectoren, belangrijke obstakels kunnen zijn bij het innoveren en exploreren van nieuwe marktniches. Betreffende de competenties van de doelgroepwerknemers gaat het om volgende klassieke knelpunten, die een eerder wezenlijk deel uitmaken van de doelgroep:
- het beperkt opleidingsniveau;
- de beperkte beroepservaring;
- de beperkte mobiliteit;
- de beperkte flexibiliteit inzake arbeidstijden;
- de nood aan kwalitatieve begeleiding.
De belangrijkste knelpunten met betrekking tot de structuren van de sociale inschakelingseconomie zijn:
- onbekendheid van de sector voor het normale economische circuit;
- de beperkte financiële middelen voor investeringen in machinepark of infrastructuur;
- de beperkte experimenteerruimte, zowel financieel als juridisch.
De mogelijkheden van de sociale inschakelingseconomie om in de toekomst nieuwe niches te ontwikkelen is grotendeels afhankelijk van de strategische keuze om deze sector als volwaardig te erkennen. Dit zou volgens de auteurs kunnen gerealiseerd worden via het gelijkschakelen van de doelgroepgerichte aanwervingssubsidies voor de reguliere sector en de sociale economie, wat ook de steeds terugkerende kritiek over deloyale concurrentie kan vermijden. Tot op vandaag ontbreekt er eveneens een decretaal kader voor de werkervaringsbedrijven, zodat deze geen basisfinanciering hebben. Het continu werken op projectbasis laat weinig ruimte voor investeringen in innovatie of creatie van arbeidsplaatsen, mede omdat de werkervaringsbedrijven geen reguliere handelsdaden mogen stellen. Ook zouden de bestaande instrumenten voor innovatiesteun kunnen aangepast worden zodat ze gelijk toegankelijk zijn voor beide sectoren.
Een duidelijke keuze voor doorstroming als finaliteit voor een deel van de doelgroep, afhankelijk van de doelgroepkenmerken en helder geoperationaliseerd, zou de bestaande instrumenten inzake competentieontwikkeling en begeleiding efficiënter inzetten. Indien men de keuze maakt voor doorstroming, dienen de begeleidingsinstrumenten sterker gericht te zijn op competentieontwikkeling.
