De vraag naar loopbaanbegeleiding bij werkenden van allochtone origine
Sinds 1 januari 2005 bestaat er in Vlaanderen een recht op loopbaanbegeleiding voor werkenden. Dit recht houdt in dat iedere werkende Vlaming met minstens 1 jaar werkervaring één keer om de zes jaar een loopbaanbegeleidingstraject kan volgen tegen lage kostprijs. Tijdens een dergelijk traject wordt een analyse gemaakt van de sterktes, zwaktes, interesses en loopbaanaspiraties van het individu. Er worden tevens loopbaandoelen voor de toekomst gesteld en een persoonlijk ontwikkelingsplan uitgewerkt dat stipuleert hoe men die doelen kan realiseren.
Loopbaanbegeleiding kan gevolgd worden in verschillende erkende loopbaancentra en bij de VDAB. Om recht te hebben op subsidies dienen de loopbaancentra 50% kansengroepen te bereiken. Er worden vier kansengroepen onderscheiden:
(1) allochtonen ;
(2) arbeidsgehandicapten ;
(3) oudere werknemers (50+) ;
(4) kort- en middengeschoolden.
Het bereiken van deze kansengroepen blijkt echter niet eenvoudig. De loopbaancentra slagen er maar moeilijk in om de grens van 50% te halen. Daarom werd binnen het Europees Sociaal Fonds het project “Instroom van kansengroepen in loopbaanbegeleiding” opgestart. Dit project moet de instroom van kansengroepen in gesubsidieerde loopbaanbegeleiding proberen te verklaren en te verhogen. Het onderzoek dat in dit rapport wordt beschreven, maakt deel uit van dit ESF-project. De onderzoekers focussen in dit deelproject op één specifieke kansengroep, namelijk werkenden van allochtone origine.
De moeizame toestroom van allochtonen in loopbaanbegeleiding is een gekend aandachtspunt. In Vlaanderen behoort slechts 3% van de deelnemers aan loopbaanbegeleiding tot deze kansengroep. Bovendien kampt niet enkel Vlaanderen met dit probleem. Ook in andere landen vinden etnische minderheden maar moeilijk de weg naar loopbaanbegeleiding (Carter et al., 2003; Levin & Kammire, 1986). Tegelijkertijd lopen allochtonen systematisch meer risico om in de minder gunstige segmenten van de arbeidsmarkt terecht te komen (Verhoeven, 2000) en botsen ze vaker op loopbaandrempels, zoals discriminatie (Luzzo & McWhirter, 2001). Hun potentiële baat bij loopbaanbegeleiding lijkt dus minstens even groot als – zo niet groter dan – die van autochtone werknemers.
Dit onderzoek wil factoren in kaart brengen die mogelijk bijdragen tot de ondervertegenwoordiging van allochtonen in loopbaanbegeleiding. Dit moet toelaten om de ernst van het probleem beter in te schatten en om gerichte acties op te zetten om de instroom van allochtonen in loopbaanbegeleiding te vergroten.
