Inactiviteitsvallen bij personen met psychische problemen
Personen met psychische problemen, binnen de groep personen met een arbeidshandicap, hebben een aantal specifieke noden met betrekking tot de (her)inschakeling op de arbeidsmarkt. Deze noden vloeien voort uit de kenmerken van hun ziektebeeld en het herstelproces. Dit rapport maakt de oefening om de verschillende problemen die deze groep kan ervaren bij activering en tewerkstelling in kaart te brengen.
Personen met psychische problemen kunnen zowel rechten openen op een ziekte- en invaliditeits-uitkering, een werkloosheidsuitkering, een inkomensvervangende en/of integratietegemoetkoming of een leefloon. De toegang tot een bepaald stelsel is afhankelijk van de (vroegere) tewerkstellingssituatie (of de afwezigheid daarvan). De regelgeving rond deze verschillende sociale statuten en de cumulregelingen is complex en niet door alle actoren (betrokken personen zelf, werkgevers, consulenten en begeleiders, adviserend geneesheren,...) goed of voldoende gekend. De bevoegdheidsverdeling tussen het federale en regionale niveau maakt op verschillende punten coördinatie moeilijk.
De gehanteerde definities voor arbeidsongeschiktheid, medische geschiktheid, zelfredzaamheid en MMPP zijn sterk verschillend, maar niet steeds complementair. Door de diversiteit aan uitkeringsstelsels waarin de personen met psychische problemen terecht kunnen komen, zijn de mogelijke problemen waarmee ze geconfronteerd kunnen worden dan ook vaak stelsel-specifiek.
Of: afhankelijk van het uitkeringsstelsel, wordt men met andere knelpunten geconfronteerd en verschillen de (her)activeringsmogelijkheden. Globaal genomen stijgt het beschikbare gezinsinkomen bij (her)tewerkstelling in vergelijking met het inkomen in de uitkeringssituatie. De financiële meeropbrengsten zijn in vele gevallen wel laag tot zeer laag. Het inkomen bij werk kan echter ook lager zijn dan de uitkering indien het werk enkel hervat kan worden aan een loon dat lager is dan vóór de uitkeringssituatie. De cumulregelingen van loon en uitkering zorgen bij deeltijdse baan voor een zelfde of hoger inkomen als in de uitkeringssituatie. Bij de ZIV-regeling bestaat echter wel een gevaar voor een financiële inkomensval bij het aflopen van de tewerkstelling in het kader van de toegelaten arbeid.
Deze groep wordt geconfronteerd met verschillende problemen inzake de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid of handicap en met een herstelproces dat kansen op herval inhoudt. Dit zorgt voor onzekerheid en vertragingen i.v.m. de uitkeringen. En hoewel de stelsels herval toelaten zonder financieel
gestraft te worden, is hierover weinig geweten en kan de vrees voor herval ervoor zorgen dat personen met psychische problemen de stap naar werk niet wagen.
De noodzakelijke begeleiding die voor de personen met psychische problemen wordt verondersteld (op 3 domeinen: het individu, de omgeving en het werk) om op een duurzame manier het werk te kunnen hervatten, lijkt onvoldoende voorhanden te zijn voor deze specifieke groep. Door het specifieke verloop van het herstelproces hebben ze nood aan een integrale en langdurige begeleiding die niet stopt bij of kort na de aanwerving of werkhervatting.
