De sociale economie vanuit het perspectief van actieve integratie
Door de uitbreiding is de EU diverser geworden. De kloof tussen arm en rijk nam toe en wordt groter naarmate de kenniseconomie de nadruk meer en meer op individuele vaardigheden en expertise legt. Tegelijkertijd nemen de thema's sociale integratie en samenhang een steeds belangrijkere plaats in op de politieke agenda. Dit blijkt onder andere uit de goedkeuring van de Lissabonstrategie (2000) die het Europese concurrentievermogen moet verbeteren en sociale uitsluiting moet bestrijden.
Sinds de start van het nieuwe millennium werd de werkloosheidsgraad gedeeltelijk teruggedrongen door hervormingen van het macro-economische beleid en van de arbeidsmarkt. Maar een aantal belangrijke kwesties vragen nog steeds om een oplossing, in de eerste plaats de EU-tewerkstellingsgraad, die nog steeds slechts een gemiddelde heeft van 66%. Daarnaast moet ook dringend werk gemaakt worden van de sociale integratie van kansengroepen. De integratie van mensen die het verst van de arbeidsmarkt afstaan, blijkt hierbij bijzonder moeilijk.
De recente Europese arbeidsmarktmaatregelen zijn er dan ook niet alleen op gericht om de werkloosheid te verminderen, maar ook om de tewerkstellingsgraad te verhogen. Om dit te bereiken concentreren de inspanningen zich op een verhoging van de arbeidsmarktparticipatie van de economisch inactieve bevolking en van mensen met een ziekte-, ongeschiktheids- of werkloosheidsuitkering. Deze accentverschuiving heeft geleid tot aanzienlijke investeringen in actieve arbeidsmarktmaatregelen die de volgende doelstellingen nastreven: een effciëntere tewerkstellingsmarkt, een verbetering van de toegankelijkheid van en mobiliteit binnen de arbeidsmarkt, een geoptimaliseerde informatieverstrekking, een verhoging van de inzetbaarheid door opleidings- en tewerkstellingsprogramma's en een betere afstemming van de werknemerscompetenties op de werkgeversbehoeften.
In deze context kregen de verdiensten van de sociale economie (coöperaties, mutualiteiten, verenigingen en stichtingen) meer aandacht. De sociale economie bevindt zich door haar historisch nauwe banden met gemeenschappen en haar gespecialiseerde steun aan kansengroepen in een unieke positie wat betreft de aanpak van de sociale integratie van kansengroepen. Dit heeft geleid tot een aanzienlijke groei van de Europese sociale inschakelingseconomie. Van 12 tot 13 juni 2008 organiseerde de Programmatorische Federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie een Peer Review over de rol van de sociale economie op het vlak van actieve integratie. Deelnemende landen waren Oostenrijk, Cyprus, Tsjechië, Griekenland, Slovakije, Slovenië en Zweden. Andere deelnemers waren vertegenwoordigers van stakeholders zoals de European Confederation of Worker Cooperatives, Social Co-operatives and Social and Participative Enterprises (CECOP-CICOPA Europe), het Europees netwerk van sociale inschakelingsbedrijven (ENSIE), de Europese federatie van organisaties die met daklozen werken (FEANTSA) alsook vertegenwoordigers van de Europese Commissie DG Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen.
De Peer Review bestudeerde de promotie van actieve integratie via de sociale economie in België. De sociale economie bestaat hoofdzakelijk uit coöperaties, mutualiteiten, stichtingen, non-proftorganisaties en sociale ondernemingen in het algemeen.
België heeft een relatief goed ontwikkelde en erkende sociale economie (vooral in Wallonië), omdat het overheidsbeleid de sociale economie ondersteunt in haar strijd tegen sociale uitsluiting. België is tevens de thuishaven van enkele internationaal bekende sociale economie-ondernemingen die zich toeleggen op werkintegratie. Het Belgische model is bovendien zeer interessant vanwege de coördinatie van de sociale economie-activiteiten door middel van samenwerkingsakkoorden tussen verschillende bestuursniveaus en door het continue overleg met de stakeholders.
De Review besteedde eveneens aandacht aan de situatie in andere Peer Review landen en beklemtoonde daarbij de grote culturele en politieke verscheidenheid op het gebied van de uitbouw en institutionalisering van de sociale economie. Wegens diverse redenen hebben veel landen in het "Nieuwe Europa" een enge kijk op de sociale economie, gedeeltelijk door de link tussen het "sociale" en het"economische". Daardoor benaderen zij deze materie vanuit een zeer verschillende invalshoek en hebben ze andere terminologieën en narratieven nodig om nationale regeringen en andere actoren van het belang van de sociale economie te overtuigen.
Deze grote diversiteit vormde de basis voor het uitwisselen van ervaringen, zowel wat de institutionalisering van de sociale economie betreft als het succes van werkintegratiemaatregelen. Veel aspecten van de Belgische economie waren bijzonder interessant. Bovendien lieten de werkintegratieprojecten die tijdens site visits bezocht werden een blijvende indruk achter door hun effectiviteit en innovativiteit. Niettemin blijven er een aantal uitdagingen bestaan zoals de ontwikkeling van een meetsysteem om de toegevoegde waarde van sociale ondernemingen aan te tonen. Ook moet er gezocht worden naar een beter evenwicht tussen sociale integratie door tijdelijke maatregelen en door langdurige of blijvende maatregelen of banen. Het systeem van de dienstencheques binnen de lokale diensteneconomie heeft ook een grote discussie op gang gebracht over hoe "afroming" vermeden en de effectieve participatie op de arbeidsmarkt verzekerd kan worden.
De discussies van de Peer Review bijeenkomst zullen het Europese denken en handelen op het gebied van sociale experimenten en innovatie stimuleren, een onderwerp waarover het Europees Economisch en Sociaal Comité in het najaar van 2008 een advies zal uitbrengen. Daarnaast zal het Franse Voorzitterschap van de Europese Unie een conferentie aan dit thema wijden.
