logo Sociale economie

Bomen groeien niet tot in de hemel: de werkelijke kostprijs van de dienstencheques

Toegevoegd
2 jaren 44 weken geleden

Type onderzoek
Beleidsvoorbereidend onderzoek
Auteur(s)
Jozef Pacolet, Fredric De Wispelaere en Sofie Cabus
Uitvoerder
HIVA
Opdrachtgever
ACV
Abstract of inleiding

Buurtdiensten, nabijheidsdiensten, dienstencheques, het is al bijna 20 jaar dat het debat hierover niet uit de lucht is. Het Witboek van de Europese Commissie ‘Groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid', haalde reeds in 1993 de mogelijkheden aan van jobcreatie in ‘nieuwe diensten in de directe omgeving'. 17 domeinen werden aangehaald, gaande van persoonlijke dienstverlening over verbetering van leef- en omgevingsklimaat, cultuur en vrije tijd, milieu. Soms werd nieuwe private dienstverlening ontdekt, soms herontdekte men de klassieke domeinen van publieke werkgelegenheidsprogramma's die soms collectieve behoeften moesten invullen, soms ook individuele. Het waren soms domeinen die nu Europees ontdekt werden, maar voordien reeds in eigen land met veel verve naar voor werden geschoven door Ignaas Lindemans, Hoofd van de Studiedienst van het ACV in zijn pleidooi voor de uitbouw van het Derde Arbeidscircuit (DAC). Wij hebben zelf met diverse studies in die jaren bijgedragen tot de terreinverkenning, onder meer ook in het kader van projecten van de Koning Boudewijnstichting waar ook de dienstencheque de revue passeerde. Wij herkenden toen de vergelijkbaarheid met ‘new deal'-achtige werkgelegenheidsprogramma's van de jaren dertig.


Weinigen konden vermoeden, wij vooral niet, dat nog maar één van die 17 diensten voorgesteld in het Witboek, ‘huishoudelijke hulp', via het stelsel van dienstencheques een goede 15 jaar later goed zou zijn voor meer dan 666 000 gebruikers en meer dan 100 000 werknemers, een ‘zakencijfer' van meer dan 1,65 miljard euro en een overheidssubsidie van 1,24 miljard euro. En al die cijfers moeten bijna maand na maand naar omhoog aangepast worden. De bomen lijken in deze nieuwe sector tot in de hemel te groeien. Maar niet alleen kwantitatief lijkt dit een mirakelformule te zijn, ook kwalitatief kunnen wij zien dat er een nieuwe industrietak lijkt ontstaan te zijn, met klanten die genieten van dit nieuwe comfort dat vroeger alleen de beter gesitueerden werd gegund, met eindelijk goede arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming voor de werknemers, met een eigen paritair comité en een opmerkelijke syndicale aanwezigheid.

 

In dit rapport hebben wij ons niet laten meesleuren door deze euforie maar zijn wij met beide voeten op de grond willen blijven. Want bomen groeien niet tot in de hemel. Wij stellen kritisch de vraag in welke mate het subsidiëren van deze activiteiten werkelijk een kerntaak is voor de overheid, en hoe ruim deze publieke financiering kan zijn, en of de middelen niet selectief moeten besteed worden, of de kostprijs voor de gebruiker dient gedifferentieerd te worden, en wat de werkelijke kostprijs voor de overheid is, of de werkgelegenheid niet op een andere manier kan gerealiseerd worden of selectief moet georiënteerd worden naar nieuwe behoeften. Of het werkelijk een superieur instrument is in de strijd tegen de fraude. Of het concurrentievermogen van ons industrieel weefsel werkelijk gediend is bij de massale subsidie van deze activiteiten, en of de publieke financiën de groei ervan nu en in de toekomst zullen kunnen blijven dragen.


Wij konden toen wij het buurtdienstendiscours (al dan niet betaald via dienstencheques) 15 jaar terug kwalificeerden als ‘new deal'-achtige werkgelegenheidsprogramma's van de jaren dertig, niet vermoeden dat zij vandaag, in volle expansie, een zelfde rol hebben kunnen/moeten vervullen voor de grootste naoorlogse economische crisis. De 100 000 jobs, vooral voor vrouwen, hebben in België een deel van de gevolgen van de crisis kunnen opvangen. Het effect is merkwaardig en ook merkbaar in de werkgelegenheids- en werkloosheidsstatistieken. Door de overheid gesubsidieerde tewerkstelling kan een grote economische crisis helpen temperen.

 

Maar het is bezinningstijd. De financiële en economische crisis heeft de publieke financiën in ons land, en elders, in nieuwe moeilijkheden gebracht, terwijl de uitdaging van de kosten van de vergrijzing nu werkelijk om de hoek komt kijken. Wij denken dat die nieuwe realiteit ook de realiteitszin rond de dienstencheque, zijn plaats en functie, zijn voorwaarden, zijn budgetten, zal terugbrengen. Wij hopen met dit rapport een bijdrage te leveren vanuit de invalshoek van een onafhankelijke wetenschappelijke analyse. Onafhankelijk maar sterk betrokken op het feit dat de overheid de ambitie moet blijven hebben van volledige werkgelegenheid aan de ene kant, en een verzorgingsstaat en sociale bescherming (jawel, daar moeten wij de dienstencheque in onder brengen) uit te bouwen in functie van de werkelijke en prioritaire behoeften. Wat die zijn, dat is typisch voor sociale bescherming, daarover kan alleen de overheid zelf beslissen. Maar ook hier is de tijd gekomen om de nodige keuzes te maken en de dienstencheque opnieuw in het juiste perspectief te plaatsen. Met een brede kijk op de maatschappelijke behoeften. Keuzes tussen enerzijds een discours dat zich afvraagt of in de gezondheidszorg zogenaamde ‘comfortzorg' nog betaalbaar is of eerder een luxe, en anderzijds de aarzeling om het gebruik van dienstencheques als comfortdienst of zelfs luxeconsumptie te omschrijven, en de overheidssteun daarvoor als genereus om niet te zeggen exuberant. Tegen dat de economie zich terug herstelt zal de tijd gekomen zijn om een aantal correcties door te voeren aan het stelsel van de dienstencheques. Het rapport opent tal van pistes.

Link

Bijlagen


  • ---